Abraham´s offer

augustus 20, 2010

Ik las een tijdje geleden een passage in een boek waarin een joodse jongen afgaf op zijn geloof. Hij vroeg zich af hoe God  Abraham kon vragen zijn zoon Isaak (Isma’iel, zijn eerstgeborene in de Koran) te offeren.

Dit verhaal boezemde mij vroeger ook angst in. Ik begreep het niet.

In de Koran wordt het verhaal summier verteld. Er is in het koranische verhaal een verschil met de bijbel. Abraham vertelde zijn zoon dat hij gedroomd had dat hij hem offerde voor God. Isma’iel als trouwe, diepgelovige en toegewijde zoon zei tegen zijn vader dat hij moest doen wat hem in de droom was opgedragen. Hij zou de kracht en het geduld hebben om zijn lot te ondergaan.

Abraham zette zich af tegen het heidense geloof van zijn tijdgenoten. Menselijke offers brengen aan de goden was geen ongewoon gebruik. Misschien dacht Abraham zijn enige God te dienen door óók zijn liefde te uiten met een offer. Wat zou meer van onvoorwaardelijk geloof  in de Schepper getuigen dan de bereidheid tot het opofferen wat hem het meest dierbaar was?

God hield hem gelukkig tegen toen hij op het punt stond zijn daad van liefde en overgave te verrichten. Het was niet nodig, God verlangde niet van hem dat hij zijn zoon doodde.

Dit is de betekenis die ik er nu in lees:

De mens kan in zijn grenzeloze geloofsijver zo ver gaan dat hij bereid is, omwille van het goede, kwaad te doen. God waarschuwt ons voor religieuze verblinding. We bereiken onze goede doelen niet met inzet van kwade middelen. Wanneer we denken die goede doelen verwezenlijkt te hebben, voelen ze nooit goed meer omdat het kwaad dat eraan te pas kwam om ze te bereiken een lange schaduw werpt. We snijden in ons eigen vlees.

De grens tussen oprechte geloofsijver en fanatisme is heel dun. We moeten ervoor waken niet door te schieten in fanatisme. Het was Abraham’s droom van een offer, niet God’s opdracht. In de geschiedenis zijn talloze voorbeelden te vinden van uitingen van naastenliefde die uitmondden in agressieve geloofsdwang: broden en stenen kwamen uit dezelfde buidel.

Fanatisme en geloofsdwang vormen uiteindelijk de doodssteek  voor de moraal.

Doeldenken

mei 19, 2010

Ik heb gelogen. Liegen is een middel, ingezet omdat het een al dan niet zwaarwegend doel dient. Wanneer het doel behaald is en de overwinning bereikt, waarom zou je dan nog omkijken? Niemand doet het. Winnaars worden vertrouwd en gehuldigd. Wanneer zij de finish omhelzen, wordt het afgelegde parcours een verwaarloosbaar detail.

Ik heb mijn doel bereikt, maar ik was niet meer dezelfde. Mijn geweten liet me niet met rust. Ik werd geteisterd door schuldgevoel. Ik heb me kunnen verlossen van mijn schuldgevoelens door om te keren: ik maakte de succeswandeling terug in de tijd om mijn leugen onder ogen te zien. Ze stond ongeduldig op erkenning te wachten. Ik gaf haar erkenning en mezelf gaf ik rust. Ik bevestigde en versterkte mijn menselijkheid: het doel heiligt de middelen niet zonder prijs.

Het mag geen verbazing wekken dat een overlevende van een ramp als eerste de anonieme burger aan zijn bedzijde vindt, wiens nieuwsgierigheid te allen tijde bevredigd moet worden. Als het kind aan een journalist had verteld dat hij iemand met een mes had zien zwaaien, waren we dan nog zo verontwaardigd over de schending van zijn privacy? De krant had dan eenvoudig kunnen stellen dat het nieuwsbelang de doorslag had gegeven en de redactie zou trots zijn op de primeur.

Als ons niet werd voorgespiegeld hoe belangrijk de boringen naar olie op zee zijn voor onze energievoorziening en de werkgelegenheid, zou niemand het schaamteloos bagatelliseren van de ramp – nota bene door de veroorzaker ervan- kunnen aanhoren.

Als de burger veiligheid wil, dan moet die worden gegarandeerd. Als de burger blijkt te genieten van het uitvergroten van de levens van beroemdheden, dan moet hij op zijn wenken worden bediend. De doelen zijn heilig. We stemmen de spelregels er volledig op af. Dit verklaart waarom we ons steeds minder bewust zijn van wat onze spelregels zijn. De spelregels worden door de winnaars voortdurend bijgesteld en herschreven.

Een buurtbewoner die klaagt over geluidsoverlast van het nabije kinderdagverblijf, weet precies hoeveel decibel herrie de kinderen produceren. Hij vergelijkt in zijn hoofd de overlast met die van vliegtuigen en de muziek die te hard staat bij de buren. Hij lijkt niet meer in staat te zien dat het om mensen gaat, dat ‘geluidsoverlast’ van kinderen op een schoolpleintje bij het leven hoort. Hij wil stilte en daarvoor moeten de kinderen maar zwijgend groot worden.

Geen greintje inlevingsvermogen of tolerantie: dat is wat de mens typeert die is doorgeschoten in het instrumentele denken; het utilitaire middel-doeldenken.

Alleen wanneer wij hoogstpersoonlijk worden geraakt, zijn we nog in staat om op de rem te trappen, onze morele verontwaardiging uit te roepen over de opoffering van onze menselijkheid.

Dat is tragisch voor de weerlozen van deze wereld.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.